Verslag Sgt.J.P.van Franeker

- 21 MEI 1940 KRIEGEFANGENENLAGER STALAG IIIA LUCKENWALDE -


Het kamp Luckenwalde waar de krijgsgevangenen werden ondergebracht, lag op slechts enkele kilometers afstand van het stadje en veertig kilometer ten zuiden van Berlijn. Het was gebouwd op een grote zanderige vlakte en geheel omgeven door prikkeldraad. Op de hoeken stonden hoge wachttorens met gewapende bezetting en felle zoeklichten, die 's nachts speurend door het kamp gingen. De bewaking was aanvankelijk streng, maar toen de Duitsers bemerkten dat de Hollanders niet moeilijk deden en er geen ontvluchtingpogingen werden ondernomen, werden de bewakers wat soepeler.

Op het terrein waren enorme tenten opgeslagen die, met een beetje behelpen, plaats boden aan 400 personen. Verder waren er twee keukens en een hospitaal. Naast het Nederlandse kamp bevonden zich op het terrein ook nog een Pools en een Frans kamp. De Polen (500 man) zaten al een tijdje in het kamp en hielden zich bezig met het opslaan van nieuwe tenten.

De Nederlandse krijgsgevangenen (5200 man) werden in dertien tenten van 400 man, dicht bij elkaar, met kampstraten er tussen, ondergebracht. Enkele dagen later arriveerden er nog 6000 Franse krijgsgevangenen in het kamp. Alles wees er op dat het verblijf een tijdelijk karakter zou dragen, maar dat betekende wel dat men zich in heel veel dingen moest behelpen en dat ieder comfort ontbrak.

De houding van de bewakers was normaal en de kampleiding liet blijken dat de krijgsgevangenen niet lang gevangen gehouden zouden worden.

Op het avondappel van woensdag 22 mei, omstreeks 16.30 uur, moesten de troepen blijven staan omdat er door een Duitse officier een belangrijke mededeling zou worden gedaan. Die mededeling was de volgende: "De Fuhrer heeft gemerkt dat de Hollandse soldaten moedig en eerlijk hebben gevochten en had daarom besloten dat zij zo gauw mogelijk weer naar huis terug mochten keren". De mededeling werd met gejuich ontvangen, maar hoewel medegedeeld was dat de terugkeer zo gauw mogelijk zou geschieden, zou het toch nog een paar weken duren voor het zo ver was.

In iedere tent was op een aantal krijgsgevangenen een onderofficier (de officieren werden in Weinsberg vastgehouden) aangewezen als verantwoordelijke voor die groep. Hij was het aanspreekpunt voor zijn groep en de kampleiding om de zaken in goede banen te leiden, maar hoe langer het duurde, hoe moeilijker het werd om de anderen moed in te spreken. Iedereen had slechts een verlangen en dat was "naar huis".

Om besmettelijke ziekten te voorkomen moest iedereen (voor zover dat tijdens de mobilisatie niet was gebeurd) ingeent worden tegen typhus en pokken. Er waren er bij die er geen last van hadden, maar veel anderen werden er toch nog behoorlijk ziek van.

Hoewel het iedere dag schitterend zomerweer was, konden de nachten gemeen koud zijn in de tenten, vooral voor de mensen die geen overjas meer hadden. Slapen gebeurde op de grond in het stro dat steeds dunner werd. Om 9 uur 's avonds moest iedereen in de tent zijn, maar de kampleiding keek niet zo nauw. Wie nog geen zin had kon nog rustig een poosje tussen de tenten lopen, dat was overigens niet zo verstandig, want dan had hij de kans dat er met moeite nog een plaatsje gevonden kon worden. Het beste was een slaapplaats te zoeken waarbij het mogelijk was om met het hoofd tegen de kant van de tent te liggen.
De tweede en derde rij mensen lag met het hoofd tegen de voeten van de eerste rijen en dat was niet zo fris, want de meesten hadden al vier weken dezelfde sokken aan.

Waslokalen of douches waren er niet in het kamp. In een hoek van het terrein was een aantal waterkranen aangebracht waarbij je je wassen kon. De kranen liepen van 's morgens tot 's avonds. 5200 man moest zich wassen en het was vaak moeilijk om aan de beurt te komen. Als het al kon, probeerden de soldaten hun kleren te wassen, het viel echter niet mee om met een klein stukje zeep een zakdoek of een onderbroek (die al drie weken gedragen was) schoon te krijgen. Alhoewel het vuil er niet uit te krijgen was leek het dan toch weer enigszins fris. Iedereen begon te verlangen naar schoon ondergoed, want dat stonk gewoonweg.

Het eten bestond uit in de schil gekookte aardappels, of er was een soort brei van aardappels, gort en vlees of stokvis van gemaakt. Groente kwam er niet aan te pas. Voor de rest was er dan nog brood met wat margarine, worst of marmelade.

's Morgens om 10.00 uur werd er al begonnen met het uitdelen van voedsel, dat gebeurde ploegsgewijs. In grote bakken stond het eten buiten bij de keuken en tent na tent trok er langs. Het duurde vaak tot ver in de middag voor dat de laatste aan de beurt waren.
's Middags tegen vier uur werd het brood uitgedeeld. Dat was bestemd als avondmaaltijd en ontbijt voor de volgende ochtend. Opbergruimte was er niet, het stuk brood voor de volgende ochtend moest opgeborgen worden in de tent onder de jas (als die er nog was) of zo maar ergens in het stro. Het gebeurde regelmatig dat het brood, en vooral worst, niet meer te vinden was als men daar aan toe was. Ook krijgsgevangenen onder elkaar bleken schuldig aan diefstal. Was het brood verdwenen, dan betekende dat, dat je tot de volgende middag niets te eten had. Om het stelen te voorkomen werd vaak direct na het warme eten het grootste stuk brood en de worst of marmelade vast opgegeten. Wat er van het brood nog over was moest dan in de broek- of jaszak bewaard worden tot de volgende morgen.

De dagindeling was als volgt: 07.00 uur opstaan, half acht appel, vanaf 10.00 uur uitdeling van warm eten, in het bos liggen, brood in ontvangst nemen, half vijf avondappel, weer in het bos liggen en om 21.00 uur in de tent om te slapen tot de volgende morgen 07.00 uur. Het waren dagen van grote eentonigheid en verveling.

Aan de kampleiding was gevraagd of er misschien wat werk gedaan kon worden, maar dat ging niet, omdat, zo werd gesteld, iedere dag het bericht kon komen dat de krijgsgevangenen weer naar huis konden gaan. De enige afleiding was kaarten en dammen met zelfgemaakte spelen.
De kampleiding stond, om de hygiene te bevorderen, alleen schoonmaakwerk toe. Per tent werd iedere dag een schoonmaakploeg aangewezen, die het terrein om de tent schoon moest houden.

Tegen de avond kwamen vaak een paar officieren en de kampcommandant een kijkje nemen. Alle krijgsgevangenen dromden dan om hen heen, nieuwsgierig naar het moment van vertrek. Het antwoord was steevast: "Wees geduldig, wij weten het ook niet precies, maar er wordt aan gewerkt". Ook kwam steeds de vraag of er eens geschreven mocht worden. "Nutteloos werk, jullie zijn eerder thuis dan een kaart" was dan het antwoord. Dat geloofde niemand en dus kwam de vraag iedere dag weer terug. Dat had uiteindelijk toch succes. Een week voor het vertrek ontving iedereen een briefkaart om een berichtje naar huis te sturen. Er werd bijgezegd dat alleen precies op de lijntjes geschreven mocht worden.
Op 31 mei 1940 werden omstreeks 5200 briefkaarten geschreven. De volgende ochtend moesten de kaarten per tent verzameld en ingeleverd worden ter verzending naar het thuisfront.
Op dezelfde dag had de kampleiding nog een verrassing. Er was een eenvoudige kantine in elkaar gezet waar de krijgsgevangenen voor hun eigen geld bier, limonade en sigaretten konden kopen.
Toen de kantine geopend werd ontstond er een ware stormloop. Iedereen wilde wel eens wat anders proeven dan water en de dagelijkse kampkoffie. Bier kostte 35 cent en limonade 27 cent.
De kantine werd ook op de dagen daarna nog opengesteld en toen was men er kennelijk achter gekomen wat het Hollandse geld waard was, want het bier was afgeslagen tot 20 cent per fles. Er moest wel statiegeld voor de fles betaald worden, maar de meesten bewaarden een flesje om er drinkwater voor de terugreis in te doen en om het daarna als souvenir te bewaren.

Wanneer gaan we naar huis? Telkens drong het gerucht tot de krijgsgevangenen door dat het ieder ogenblik kon gebeuren. Op een dag leek het er ook op. Het aardappelschoonmaken werd stopgezet, eten voor de volgende dag was niet aangekomen en alles wees er op dat het vertrek aanstaande was. De hele dag leefde het kamp in opgewekte stemming. 's Avonds kwam de teleurstelling, het vertrek werd uitgesteld omdat transport nog niet mogelijk was.

Op donderdag 6 juni 1940 werd de aardappelploeg, die de aardappels voor vrijdag moest schoonmaken, teruggestuurd. "Jullie gaan morgen weg" was de mededeling. Was het echt waar? In de loop van de dag kwamen er vrachtwagens met brood en andere zaken het kamp binnen rijden. Alles werd naar de keuken gebracht. Na het warme eten moesten de kommen en lepels ingeleverd worden. Duitse "Grundlichkeit" betekende zoveel ontvangen, zoveel inleveren. Het eetmateriaal werd nog eens extra schoon geboend en bij elke tent stapelden de kommen zich op tot hele bergen.

Bij het avondappel van half vijf werd aan de krijgsgevangenen medegedeeld dat ze de volgende morgen om 5 uur klaar moesten staan voor transport. Die avond was het hele kamp in hoera-stemming, zelfs de grootste pessimist geloofde dat de terugkeer zeker was.

De volgende morgen, vrijdag 7 juni 1940, om 4 uur was alles in het kamp al in beweging. Iedereen probeerde bij een kraan te komen om tenminste goed gewassen in de trein te kunnen stappen. Om half 8 appel......... en dan plotseling het gerucht dat het vertrek weer werd uitgesteld. Helaas, het was waar. De commandant van het kamp kwam zelf de boodschap brengen. Ook hij had zeker op het vertrek gerekend, jammer genoeg was er plotseling iets tussen gekomen, maar het was zeker dat het vertrek zaterdagmorgen wel door zou gaan.

Grote teleurstelling. De opgestapelde kommen werden weer van de stapel gehaald en de aardappelploeg kon alsnog aan de slag. Na het eten moesten de kommen ingeleverd worden en bij het appel kreeg weer iedereen de boodschap om de volgende morgen klaar te staan.

Zaterdag 8 juni 1940: Om half acht staat alles aangetreden voor het appel. Dan ineens, komt alle hoop weer terug, want er moesten drie groepen worden gemaakt van elk ongeveer 1700 man groot. Het zou nu toch echt gaan gebeuren! Om 8 uur moest de eerste groep aantreden en werd er begonnen met het uitdelen van brood en worst (per drie man een brood en een stuk worst en nog wat Limburgse kaasjes).

De andere twee groepen volgden en voor het vertrek werd er zelfs nog warm eten verstrekt, de koks hadden hun best gedaan en er was eten genoeg. De dikke brei lag stevig in de maag, dat was wel nodig ook, want er lag een lange treinreis voor de boeg.

Buiten het kamp moest nog even gewacht worden op de afdeling transporttroepen, die de krijgsgevangenen naar Holland vergezellen zou. Eindelijk werd het sein tot vertrek gegeven en even later marcheerden de groepen door het stadje Luckenwalde en bereikten het station.

Op de rails stonden lange goederentreinen met voldoende wagons gereed. In de wagons lagen stellages die in elkaar gezet konden worden, waardoor vrijwel iedereen een soort zitplaats kon krijgen.

De reis kon beginnen. Kort na de middag vertrokken de treinen richting Holland. Gezeten op de banken en de deuren open reden de soldaten in hun treinen door het Duitse landschap op weg naar huis. De hele verdere zaterdag en ook de nacht van zaterdag op zondag werd er doorgereden, wel steeds weer wachten op stations, maar dat deerde niet.

Zondagmorgen 9 juni 1940 werd Emmerich bereikt en omstreeks 8 uur keerden de krijgsgevangenen terug in hun vaderland.

De aankomst en opvang van de drie groepen was geregeld in Arnhem, Almelo en Enschede. De radio had de terugkeer van de krijgsgevangenen aangekondigd en het resultaat daarvan was dat er juichende menigten op de been waren om hen te verwelkomen. De politie had handen vol werk om het publiek in bedwang te houden.

In de opvangplaatsen hadden kappers zich vrijwillig beschikbaar gesteld om de soldaten weer toonbaar te maken. In zwembaden en badhuizen konden de mannen daarna een douche nemen en dat was wel nodig ook, want helemaal schoon hadden zij zich in het kamp nooit kunnen wassen. Iedereen kreeg ook nieuw ondergoed. De meeste soldaten hadden hun ondergoed al zes weken aan en snakten naar iets schoons. Artsen onderzochten de teruggekeerde krijgsgevangenen en door de schrijvers werd er druk gewerkt aan de benodigde verlofpassen en vervoerbewijzen. Voor het eerst kon weer eens een echte Hollandse maaltijd worden genuttigd.

Door alle gebeurtenissen van die zaterdag was het te laat geworden om nog naar huis terug te keren en werden de nu ex-krijgsgevangenen voor een nacht ondergebracht in daarvoor beschikbare ruimten en bij particulieren die zich daarvoor aangemeld hadden.

De groepsvertegenwoordigers kregen die avond nog instructies voor de volgende dag. Er vond een indeling plaats om de groepen samen te stellen voor vertrek naar huis.

Degenen die het verst weg woonden werden in de eerste groepen ingedeeld. De volgende dag 10 juni 1940 keerden de meeste krijgsgevangenen weer in hun woonplaats terug.

Bron: Grebbenberg.nl/verslag Sgt.J.P.van Franeker

Terug naar Verslagen